De laatste jaren is er een toenemende tendens te bespeuren van kritiek op het rekenonderwijs van de afgelopen jaren en met name de onderliggende uitgangspunten die het Realistisch Rekenen kenmerken. En wellicht het meest gehoorde argument om stevig te ageren tegen het Realistisch Rekenen – en vooral de didactische- en leerpsychologische uitgangspunten die daaraan ten grondslag liggen – is dat de rekenprestaties de afgelopen jaren tanende zijn. Er wordt daarbij verwezen naar onder andere de PISA-onderzoeken en de TIMMS- onderzoeken. De oorzaak voor deze achteruitgang in rekenprestaties wordt dan vaak eenduidig geweten aan het Realistisch Rekenen, vergezeld met een – mijns inziens – ongenuanceerd credo: “Ze kunnen niet meer automatiseren, ze leren door het Realistisch Rekenen niet meer rekenen”. Hoe reëel is het om Realistisch Rekenen hiervan ‘de schuld’ te geven en hoe realistisch zijn de geboden alternatieven?
Rekenonderwijs vormgeven in het V(S)O
Toen in 2007 het onderwijsveld en het bedrijfsleven de noodklok luidden over de taal- en rekenvaardigheden van leerlingen ging de commissie Meijerink aan de slag om te komen tot een doorlopende leerlijn voor taal en rekenen. Het uiteindelijke resultaat was dat sinds 1 augustus 2010 deze referentieniveaus een wettelijke status hebben. Scholen zijn, met deze referen-tieniveaus in de hand, gaan werken aan het implementeren van de rekentoets.